Het begin (Gen. 1-11)
Integrale tekst van de podcast
In de eerste aflevering van deze podcastserie staan we stil bij het begin van de Bijbel, het begin van Genesis. Om precies te zijn Genesis hoofdstuk 1 tot en met 11. In dit deel van Genesis komen we achtereenvolgens de verhalen tegen van de schepping, de zondeval, de zondvloed en de torenbouw van Babel.
De eerste vijf boeken van de Bijbel zijn Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Deze groep boeken worden aangeduid met de term Tora. Het woord Tora betekent ‘onderwijzing’. Voor de Joden vormen ze het belangrijkste deel van het Oude Testament, en in de synagoge wordt de gehele Tora in een jaar tijd doorgelezen. In drie afleveringen van deze podcastserie gaan we het eerste Bijbelboek, Genesis, bespreken. En we beginnen met de eerste elf hoofdstukken.
In de Bijbel vormt het begin van Genesis een apart deel binnen het Bijbelboek. Als we letten op de literaire stijl, dan is deze anders dan het vervolg. Vanaf hoofdstuk 12 heeft de Hebreeuwse taal de kenmerken van een oud-oosterse geschiedenisbeschrijving. Een geschiedenis die begint met Abraham. Een geschiedenis die het ontstaan van het volk Israël beschrijft. De eerste 11 hoofdstukken hebben echter een geheel andere stijl, en dat maakt duidelijk dat ze ook een andere betekenis hebben. Dit betekent ook dat op een andere manier met de tekst moet worden omgaan. De betekenis van de tekst reikt verder dan de historische vertelling. En die betekenis wordt duidelijk als we de structuur van deze tekst nader gaan bekijken. Dat gaan we nu in deze aflevering doen.
Het begin van Genesis is erg bekend vanwege de vele discussies die gevoerd worden over de betekenis van de tekst. Discussies over geloof versus wetenschap bijvoorbeeld. Vragen vanuit onze westerse hedendaagse context. En door op deze manier bezig te zijn met de tekst lopen we grote kans de echte boodschap te missen. We willen ons daarom focussen op de betekenis die vanuit de tekst zelf naar voren komt.
We bespreken in deze podcast de schepping, de zondeval, de zondvloed en de torenbouw van Babel. En we beginnen met de schepping.
De eerste woorden van de Bijbel zijn:
In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.
God zei: ‘Laat er licht zijn,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en Hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde Hij dag, de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
Er zijn drie dingen die opvallen in de manier waarop de schepping wordt verteld. In de eerste plaats valt natuurlijk de indeling in zes scheppingsdagen op, waarbij de zevende dag de rustdag is. Vervolgens valt ook op dat in die zes dagen God tot negen keer toe een scheppingshandeling doet, die begint met de woorden: ‘En God zei’. En tot slot vraag ik aandacht voor het aantal maal dat er staat dat God ziet wat Hij geschapen heeft en dat Hij zegt dat het goed was.
Het eerste dat uiteraard opvalt is de schepping in zes dagen. Nadrukkelijk wordt steeds aangegeven dat er weer een dag voorbij is gegaan. Deze zes dagen kunnen opgedeeld worden in twee maal drie. De eerste drie dagen lopen parallel met de tweede serie van drie dagen. Zo zien we dat God op de eerste dag het licht schiep, en op de vierde de zon, maan en sterren. Op de tweede dag schiep God de hemel, en op de vijfde de vogels. Op de derde dag schiep God de aarde. En op de zesde dag schiep God de landdieren en de mens. Zo is er dus een verband tussen de eerste en vierde dag, de tweede en vijfde dag, en de derde en zesde dag. Kortom, de eerste drie dagen lopen parallel met de tweede reeks van drie dagen. Op deze manier wordt de zevende dag, de rustdag, duidelijk apart gezet. Die valt er helemaal buiten. En dat is de bedoeling van deze tekst. De betekenis van het hebben van een wekelijkse rustdag wordt onderstreept. Een dag om tot bezinning te komen, en ons te realiseren dat het God is die ons van de schepping laat genieten en ons de opdracht heeft gegeven om die schepping te beheren.
Als we meer in detail naar het scheppingsverhaal kijken dan valt nog iets anders op. Want in de zes scheppingsdagen wordt niet zes maal iets geschapen, maar negen keer. Tot negen keer toe lezen we: ‘En God zei’. Op de eerste, tweede, vierde en vijfde dag lezen we maar één keer dat God iets schept. Maar op de derde dag komen we twee scheppingshandelingen tegen en op de zesde dag zelfs drie. Op de derde dag lezen we eerst dat God het water en het droge land scheidt. En vervolgens in een aparte scheppingsdaad dat het jonge groen ontkiemt. En op de zesde dag lezen we dat God eerst op aarde de levende wezens laat voortbrengen. Dan lezen we dat God mensen schept. En ten derde lezen we dat God alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen aan de mens geeft.
Zoals we zojuist hebben gezien is er een relatie tussen de derde en de zesde dag. Die dagen lopen parallel. Als we nu naar deze scheppingshandelingen kijken dan zien we dat op de derde dag God het water en het land scheidt, en op de zesde dag de aarde levende wezens voortbrengt. Die twee handelingen horen bij elkaar. Op de derde dag brengt de aarde jong groen voort, en op de zesde dag wordt het groen aan de mens gegeven. Ook dat hoort bij elkaar. Maar voor de schepping van de mens op de zesde dag is er geen parallel met een scheppingshandeling op de derde dag. Voor alle scheppingshandelingen tijdens de eerste drie dagen is er dus een parallel bij dag vier tot en met zes, behalve voor de schepping van de mens. En hiermee wordt beklemtoond dat de mens een zeer aparte positie is de schepping inneemt.
Joodse bruiloften vinden traditioneel plaats op de dinsdag. En de reden hiervoor is dat God op die dag, de derde scheppingsdag, tot twee maal toe zegt dat Hij ziet naar datgene wat Hij geschapen heeft, en het was goed. De Rabbijnen zagen hierin een zegen voor de bruid en een zegen voor de bruidegom. Daarnaast werden op deze dag de zaaddragende planten en bomen geschapen. Een teken van vruchtbaarheid. Het eerste wonder dat Jezus deed was het veranderen van water in wijn op een bruiloftsfeest. En dit feest vond plaats op de derde dag. Naar alle waarschijnlijkheid wordt hiermee de dinsdag bedoeld. De gebruikelijke dag voor een Joodse bruiloft.
Tot slot wil ik op nog iets anders wijzen. Bij herhaling lezen we dat God ziet wat Hij geschapen heeft, en dat het goed was. Met een tweetal uitzonderingen. Op de tweede dag schept God een gewelf in het water, de hemel. Dan lezen we niet dat God zag dat het goed was. De reden is dat de dag erna God het water onder de hemel laat stromen en droog land laat verschijnen. Dan pas is deze scheppingshandeling compleet en lezen we dat God zag dat het goed was. De tweede keer dat de opmerking ontbreekt dat God zag dat het goed was, is bij de schepping van de mens op de zesde dag. Na de schepping van de mens lezen we dat God voor de negende keer spreekt en alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde aan de mens geeft. En dan wordt de schepping afgesloten met de woorden ‘God zag alles wat Hij had gemaakt: het was zeer goed’. Deze opmerking slaat op de gehele schepping, en niet specifiek op de schepping van de mens. Als God de mens geschapen heeft, zegt Hij niet dat de mens goed is. Want de mens is geschapen met een eigen vrije wil, en of die mens goed is zal nog moeten blijken.
Het is opvallend om te constateren dat in de scheppingsgeschiedenis God tot zes maal toe zegt dat het goed is, en de zevende keer dat de hele schepping zeer goed is. Gezien het feit dat zeven in de Bijbel het getal van de volheid is, is dit opmerkelijk.
We gaan nu naar de tweede vertelling, die van de zondeval. En dan maken we voor het eerst kennis met een vertelling die een symmetrische opbouw heeft. De geschiedenis van de zondeval begint met de tekst:
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, zo werden ze geschapen. In de tijd dat de HEER God aarde en hemel maakte, groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkel gewas opgeschoten, want de HEER God had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
De indruk kan bestaan dat dit deel nog hoort bij de scheppingsgeschiedenis. Dat in feite de schepping op twee verschillende wijzen wordt weergegeven. Maar als we kijken naar de symmetrische opbouw van de tekst dan wordt duidelijk dat het hier gaat om de inleiding op de geschiedenis van de zondeval.
Even iets over symmetrische structuren in de Bijbel in het algemeen. Als er sprake is van een symmetrische structuur, dan betekent dit dat als we letten op de elementen uit de tekst, er een bepaalde structuur in zit. Dus bijvoorbeeld A, B, C, B, A. Elementen uit het begin, komen weer terug aan het eind. En elementen uit het tweede niveau, komen weer terug in het voorlaatste deel. En alle nadruk valt op het midden. In dit voorbeeld C genoemd. Dit is een voorbeeld van een symmetrische structuur met drie niveaus, A, B en C. We zullen in deze podcast serie nog vaker voorbeelden tegenkomen van een tekst die symmetrisch is opgebouwd. Waarbij het aantal niveaus veel groter dan drie kan zijn. Als we een dergelijke tekstopbouw zien dan is het altijd zinvol om na te gaan wat in het midden staat, want de schrijver wil daar de aandacht op vestigen.
De vertelling van de zondeval is een voorbeeld van een tekst met een opvallende symmetrische opbouw. In dit geval een structuur met vier niveaus, dus A, B, C, D, C, B, A.
De geschiedenis van de zondeval begint met de schepping van de mens. De mens wordt in de hof van Eden, in het paradijs geplaatst. In het midden ervan staat de boom des levens. De mens moet de hof bewerken en onderhouden. In de hof van Eden staat ook een boom van kennis van goed en kwaad. Daar mag de mens niet van eten. Dit is in ons schema niveau A.
Dan gaan we naar het volgende niveau, B. God schept dieren op het land en vogels, en Adam geeft ze namen. Uit een rib van Adam wordt een vrouw gemaakt. Zij waren beiden naakt, maar schaamden zich niet.
Op het derde niveau C lezen we dat de slang de vrouw overtuigt om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. De man eet eveneens van de boom.
Dan gaan we naar het midden van de spiegelbeeldige opbouw. Dat is het gesprek tussen God en Adam en zijn vrouw. Adam en zijn vrouw verbergen zich want ze zijn naakt. De man beschuldigt de vrouw, de vrouw beschuldigt de slang.
Dan gaan we weer stap voor stap terug, naar niveau C. De slang wordt gestraft. Hij moet stof gaan eten. De vrouw wordt gestraft, Zij zal met moeite kinderen ter wereld brengen. En de man wordt gestraft. Hij zal moeten zwoegen om de aarde te bewerken.
Weer een niveau terug. Adam geeft zijn vrouw de naam Eva. God maakt voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden.
En de laatste stap, terug naar niveau A. Adam en Eva worden verbannen van de hof van Eden om ze weg te houden van de boom des levens om de aardbodem te bewerken. Aan de oostzijde worden cherubs geplaatst.
Samengevat ziet de symmetrische structuur er dus als volgt uit. In de buitenste schil lezen we eerst dat God de mens in de hof van Eden plaats, en aan het eind dat Adam en Eva uit het paradijs verbannen worden.
In de volgende schil lezen we eerst dat Adam de vogels en dieren een naam geeft, dat Eva geschapen wordt en dat ze zich niet schaamden omdat ze naakt waren. Vervolgens, in het spiegelbeeld, lezen we dat Adam zijn vrouw Eva noemt, en dat God kleren voor hen maakt omdat ze zich realiseren dat ze naakt zijn.
De derde schil vermeldt de zonde. Adam en Eva eten van de verboden vrucht. En het spiegelbeeld vermeldt dat ze hiervoor worden gestraft.
In het midden van deze spiegelbeeldige structuur staat dan het gesprek tussen God en Adam en zijn vrouw. Deze tekst luidt als volgt:
Toen de mens en zijn vrouw de HEER God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. Maar de HEER God riep de mens: ‘Waar ben je?’ Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?’ De mens antwoordde: ‘De vrouw die U mij hebt gegeven om mij terzijde te staan, gaf mij vruchten van de boom en toen heb ik ervan gegeten.’ ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg de HEER God aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
Het meest opvallende van deze structuur is dat niet de zondeval zelf in het midden staat, maar het gesprek tussen God en Adam en Eva. Het gesprek waarin ze weglopen voor hun eigen verantwoordelijkheid. Nu komt de vraag wat nu precies de zonde is. Dat is natuurlijk het eten van de verboden vrucht. Maar meer centraal staat het feit dat de mens niet wil erkennen dat het een zonde heeft begaan. De centrale vraag is veel minder waar de zonde vandaan komt, dan de vraag hoe het weer goed komt tussen God en de mens. En om het weer goed te laten komen is in de eerste plaats erkenning nodig van de schuld die er is.
Maar waarom leidt dat tot intellectuele kennis en het besef dat ze naakt zijn? Als we goed nadenken dan roept dat vragen op. Dat wat gebeurt door het eten van de verboden vrucht heeft een opvallende parallel met de gebruikelijke ontwikkeling van een kind tot een volwassene. Een pasgeboren kind heeft geen weet van goed en kwaad. En een klein kind schaamt zich ook niet voor zijn naaktheid. Maar als kinderen opgroeien gaan ze besef krijgen van het feit dat sommige dingen goed zijn en andere dingen kwaad. En komt er ook een leeftijd dat ze zich gaan schamen voor hun naaktheid. Later gaan de kinderen het huis uit en beginnen ze een leven voor zichzelf. We zien dat dit leven niet zonder moeite is. De aarde zal slechts door zwoegen haar vrucht brengen, en kinderen zullen met pijn op de wereld gezet worden. Telkens als een mens opgroeit naar de volwassenheid worden we herinnerd aan de zondeval. En wordt duidelijk dat we uit onszelf niet geneigd zijn om het goede te doen.
Wat we leren van deze geschiedenis is dat de mens geneigd is om in opstand te komen tegen God. Groei naar volwassenheid leidt er toe dat we God de rug toekeren. Onze vrije wil is van nature niet op God gericht. En de kernvraag is of we bereid zijn daarover eerlijk tegenover onszelf en tegenover God te zijn. Deze geschiedenis maakt ook duidelijk wat de consequentie is. We zijn gescheiden van de boom des levens. De weg terug is geblokkeerd. En dat roept de vraag op: hoe nu verder?
We gaan nu naar de derde geschiedenis, de zondvloed.
De geschiedenis van de mensheid begint met een opeenvolging van valse starts. Adam en Eva worden het paradijs uitgezet. We lezen dan in de Bijbel:
Tegen de mens zei Hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die Ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Maar ook het vervolg van deze geschiedenis is teleurstellend: Kaïn vermoordt zijn broer Abel. Er komt nieuwe hoop als Adam en Eva een derde zoon krijgen, Seth. Als zijn nakomeling Noach wordt geboren lezen we een bericht van hoop in de Bijbel:
Toen Lamech 182 jaar was, verwekte hij een zoon, die hij Noach noemde. ‘Deze zoon,’ zei hij, ‘zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de HEER het akkerland heeft vervloekt.’
Opnieuw volgt er echter teleurstelling en aan de vooravond van de zondvloed lezen we:
De HEER zag dat de mensen op aarde zeer slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat Hij mensen had gemaakt; Hij was tot in het hart gegriefd. ‘Ik zal de mensen die Ik geschapen heb van de aarde wegvagen,’ zei Hij, ‘en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want Ik heb er spijt van dat Ik ze heb gemaakt.’
God besluit om de aarde te vernietigen. Maar Noach en zijn gezin wil Hij redden. Daarom geeft God aan Noach de opdracht om een ark te bouwen. Als de ark gereed is, gaan de dieren en Noach met zijn gezin erin. Het begint te regenen en de hele wereld komt onder water. Dan denkt God aan Noach en de dieren, en neemt het water weer af. De aarde wordt weer droog. God geeft Noach de opdracht om de ark weer te verlaten, en God besluit dat er nooit meer een zondvloed zal komen.
Even een opmerking tussendoor. Het woord in het Hebreeuws dat wordt vertaalt met ark betekent eigenlijk kist. De ark was dus waarschijnlijk gewoon een hele grote rechthoekige drijvende kist. En helemaal geen gestroomlijnde boot zoals deze vaak wordt afgebeeld. Dat was ook helemaal niet nodig. De ark hoefde nergens heen. Hij hoefde alleen maar te blijven drijven. We komen hetzelfde woord later in de geschiedenis tegen als gesproken wordt over de ark van het verbond die in de tabernakel en later in de tempel stond. Ook dat was in feite een kist.
Ook de geschiedenis van de zondvloed is symmetrisch opgebouwd. Als we letten op de tekstelementen dan komen we uit op een symmetrische opbouw met zeven niveaus. In het midden van deze tekst staat dan de tekst:
Maar God dacht aan Noach en aan alle wilde dieren en het vee bij hem in de ark.
Omwille van Noach wordt de zondvloed beëindigd. God wil verder met de mensheid. God wil Zijn schepping niet afschrijven.
De zondvloed is de geschiedenis van de herschepping. Dat blijkt uit een vergelijking van het taalgebruik in de scheppingsgeschiedenis met het taalgebruik in de beschrijving van de zondvloed. Het is duidelijk dat de geschiedenis van de zondvloed is opgebouwd naar het patroon van de geschiedenis van de schepping. Tal van bewoordingen uit de scheppingsgeschiedenis en het laatste deel van de geschiedenis van de zondvloed zijn gelijk. Ik geef een aantal voorbeelden.
Het einde van de zondvloed wordt ingeluid met de opmerking dat op bevel van God er een wind over de aarde begint te waaien. We horen hierin een echo van het begin van de schepping, als we lezen dat Gods geest over het water zweeft. In het Hebreeuws zijn de woorden voor wind en geest hetzelfde.
Vervolgens wordt de regen gestopt, vloeit het water weg van de aarde en worden de toppen van de bergen zichtbaar. Dit doet ons herinneren aan de scheiding van hemel en aarde door God tijdens de tweede en derde dag van de schepping.
Als God aan Noach opdraagt om de ark te verlaten, inclusief alle dieren, en zich te verspreiden over de hele aarde horen we hierin een verwijzing naar de zesde scheppingsdag.
Aan het einde van de zondvloedvertelling lezen we:
Toen zegende God Noach en zijn zonen; Hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef Ik je, zoals Ik je ook de planten heb gegeven.
Deze tekst is bijna letterlijk een citaat uit de scheppingsgeschiedenis.
Aan Adam en Eva werd de opdracht gegeven om vruchtbaar te zijn. Aan het begin van de zondvloedgeschiedenis lezen we dat de mensheid talrijk was geworden, maar dat ze slecht waren. Vervolgens wordt aan Noach opnieuw de opdracht gegeven om zich te vermenigvuldigen. Zo zien we hoe de geschiedenis zich herhaalt.
Aan het einde van de zondvloed lezen we opnieuw over de hoop. Als Noach offers aan God brengt lezen we:
De geur van de offers behaagde de HEER, en Hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal Ik alles wat leeft doden, zoals Ik nu heb gedaan.
Na de zondvloed is er een nieuwe start. Het klinkt alsof God erin berust dat de mens slecht is. En Hij niet opnieuw de aarde om die reden zal vernietigen. En de vraag komt naar boven: wat wordt dan het plan dat ervoor moet gaan zorgen dat de mens God gaat dienen? Dat lezen vanaf Genesis 12, als God Abraham roept.
Tot slot gaan we kijken naar de torenbouw van Babel.
De geschiedenis herhaalt zich. Dat is het refrein van Genesis één tot en met elf. De mensheid vermenigvuldigt zich, maar opnieuw keert men zich tegen God.
De geschiedenis begint met de constatering dat de mensheid één taal spreekt. De mensen vestigen zich in Sinear. Ze bakken stenen en bouwen een stad en een toren. Doel is om hun naam te vestigen en te voorkomen dat ze verspreid raken. Maar God grijpt in. Hij brengt hun taal in verwarring, en de bouw van de toren en de stad wordt gestopt. En de mensen verspreiden zich alsnog over de aarde.
De geschiedenis staat vaak bekend als de geschiedenis van de torenbouw van Babel. Maar als we de tekst goed lezen dan valt de nadruk meer op de bouw van de stad dan op de bouw van de toren. Vanwege de bouw van de stad kunnen de mensen bij elkaar blijven wonen, en verspreiden ze zich niet. De betekenis van de toren is niet geheel duidelijk. Het kan gaan om een toren die in de verte zichtbaar is, zodat men altijd weer terug kon keren naar de stad. Maar het kan ook gaan om een religieus gebouw of om een toren ter versterking van de stad.
Maar wat is de zonde van die bouw van een stad met toren? Die ligt in het feit dat men als God wil zijn. En dat men ingaat tegen het gebod van God om zich te verspreiden over de aarde.
Er is een opvallende tekstuele overeenkomst tussen het einde van de geschiedenis van het paradijs en het einde van de geschiedenis van de torenbouw. De geschiedenis van de torenbouw van Babel eindigt met de opmerking:
‘Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal,’ zei de HEER, ‘en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt.
Daarin horen we een verwijzing naar het einde van de geschiedenis van de zondeval. Die luidt als volgt:
Toen zei de HEER God: ‘Nu is de mens aan Ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil Ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven.’ Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde waaruit hij was genomen te gaan bewerken.
Ik wil nog even aandacht vragen voor de plaatsaanduidingen. De locatie van het paradijs wordt als volgt aangegeven:
Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. (Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat.
Kortom, er zijn vier rivieren die ontspringen uit het paradijs, namelijk de Pison, de Gichon, de Tigris en de Eufraat. Die laatste twee rivieren zijn goed bekend. Maar de Pison en de Gichon zijn onbekend. En het feit dat de Gichon om Nubië heen stroomt maakt het ook niet eenvoudig. Want de Eufraat en de Tigris ontspringen in Armenie, terwijl Nubië helemaal in het zuiden ligt, zuidelijk van Egypte. De conclusie is dat het niet mogelijk is om de plaats van het paradijs aan te wijzen.
De geschiedenis van de torenbouw van Babel speelt zich af in de vlakte van Sinear. Dat is een gebied in het zuidoosten van Irak. In dat gebied lag de stad Babylon. En uit die regio kwam het volk van de Babyloniërs, die het volk Israël op een gegeven moment in ballingschap hebben gevoerd.
In de oudheid waren de Eufraat en de Tigris van essentieel belang voor het voortbestaan van de volken in Mesopotamië. Water was nodig om te overleven. En water was nodig voor de landbouw en de veeteelt. Het lokaliseren van het paradijs aan de oorsprong van deze twee rivieren plus nog een tweetal andere, ons onbekende, rivieren geeft aan dat het een zeer geschikte plaats geweest moest zijn voor de mens, de planten en de dieren.
De plaats van de toren van Babel verwijst naar een vijandschap tussen God en Zijn volk aan de ene kant, en opstandige volkeren aan de andere kant. Babel is het toonbeeld van mensen die het gezag van God niet willen erkennen.
Het is opvallend dat Abraham uit Ur der Chaldeeën afkomstig is. Hij komt dus uit de vlakte van Sinear, het gebied van de toren van Babel.
De Bijbel begint met de geschiedenis van de schepping, zondeval, zondvloed en de torenbouw van Babel. De schepping laat zien dat de mens anders is dan al het andere dat geschapen is. De mens heeft een vrije wil. En het is nog maar de vraag of die mens goed is.
De zondeval maakt duidelijk dat de mens geneigd is om het verkeerde te doen. De verleiding is er om als God te willen zijn. Het leidt er toe dat de mens uit het paradijs wordt verstoten. Weg van de boom des levens.
Als de mensheid in omvang toeneemt en massaal afdwaalt van God dan komt er een zondvloed als een soort herschepping. De wereld wordt vernietigd en God maakt een nieuwe start met Noach en zijn gezin. God berust erin dat de mens slecht is. En dat de mens slecht is blijkt wel uit de bouw van de stad Babel en de toren. Opnieuw wil de mens als God zijn, net als in het paradijs. God steekt er een stokje voor. Niet door de mensheid te vernietigen, maar door ze te dwingen zich alsnog over de aarde te verspreiden.
Opvallend is dat het eerste deel van Genesis uit vier vertellingen bestaat, waarbij de eerste, de schepping, tekstueel veel verwantschap heeft met de derde, de zondvloed. En de tweede, de zondeval, heeft veel overeenkomsten met de vierde, de torenbouw van Babel. Twee keer een schepping, en twee keer een opstand.
In feite is dit eerste deel van Genesis een grote inleiding op de geschiedenis van Abraham. Het is duidelijk dat God een relatie wil hebben met de mensen, maar dat de mensen vanuit zichzelf alleen maar als God willen zijn en daarmee die relatie in de weg staan. De vraag is: hoe dan wel. Dat wordt duidelijk met de geschiedenis van Abraham, Izak en Jakob. Een geschiedenis die begint waar deze geschiedenis eindigt. In de vlakte van Sinear, in Ur der Chaldeeën. Daar komt Abraham vandaag. En daar begint de geschiedenis.
Voordat we verder gaan met Genesis gaan we in de volgende podcast eerst luisteren naar Job. Daarna gaan we verder met Genesis.