Job
Integrale tekst van de podcast
De vorige keer hebben we het begin van Genesis besproken. Voordat we verder gaan met Genesis, bespreken we eerst het boek Job. De reden voor deze volgorde is dat dit boek oud is. Erg oud. Deze geschiedenis speelt zich vermoedelijk af nog vóór de tijd van de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob. Vandaar dat dit Bijbelboek wordt besproken voordat we verdergaan met Genesis.
Er zijn een aantal elementen in de tekst die wijzen op een oude oorsprong. Zo wordt er gesproken over Sabeeërs en Chaldeeën als nomadische rovers. Daarnaast komen we een munteenheid tegen die verder alleen in Genesis en Jozua genoemd wordt. En Job wordt erg oud. Hij leefde nog 140 jaar nadat hij zijn rijkdom had terug gekregen. Zulke leeftijden komen alleen nog maar voor kort na de zondvloed. Tot slot kan nog vermeld worden dat we dit soort poëtische teksten die gaan over de vraag naar het lijden eind 3de millennium tegenkomen in de Egyptische, Sumerische en Akkadische literatuur. Alles wijst dus op een ontstaan in de periode in de eeuwen vóór Abraham. En daarom bespreken we het boek Job nu in deze tweede aflevering.
Het boek Job wordt gerekend tot de wijsheidsliteratuur. De reactie van de vier vrienden op het lijden van Job laat zien hoe altijd al is geworsteld met de vraag waarom goddelozen vaak voorspoed hebben, en gelovigen soms rampspoed ervaren. Waar is God dan? Hoe is God dan zichtbaar? Die vraag wordt aan de orde gesteld. De dialogen tussen de vrienden en Job zijn geschreven in een poëtische taal. Enerzijds is de tekst buitengewoon kleurrijk en beeldend. Anderzijds komt ze op ons als langdradig over. Het lijkt erop alsof steeds dezelfde redenering wordt herhaald. Aan het einde van het boek Job staat een beschrijving van een Leviathan. Deze tekst over de Leviathan wordt gerekend tot de allermooiste teksten die ooit in het oud-Hebreeuws zijn geschreven. We zullen deze tekst aan het einde van deze podcast lezen.
De geschiedenis begint met aan te geven dat Job in Us woonde. Het is niet duidelijk waar we dat moeten zoeken. Job had zeven zonen en drie dochters. Hij was zeer rijk, met een zeer grote veestapel. En hij was gelovig; hij had ontzag voor God. Zo begint deze vertelling.
Dan lezen we hoe God toestemming geeft aan de satan om Job op de proef te stellen. Dat gebeurt. Job verliest zijn kinderen. En zijn vee. En alsof dat nog niet genoeg is, wordt hij ook nog eens ziek en komt hij onder de zweren te zitten. En ondanks dit alles bleef Job vertrouwen op God.
Vervolgens komen drie vrienden van Job hem opzoeken, Eldad, Bildad en Sofar. Nadat ze een week lang niets kunnen zeggen barsten ze los. Om de beurt voeren ze het woord, en steeds geeft Job een antwoord. En ze hebben één en dezelfde boodschap: Job wordt door God gestraft omdat hij kennelijk zonden tegen God heeft begaan. Als Job zijn zonden belijdt, dan zal het hem weer goed gaan.
Job verwijt zijn vrienden dat ze hem niet echt helpen. Zo zegt hij:
Als ik iets misdaan heb, vertel het dan. Leg het me uit, ik zal wel zwijgen. Oprechte woorden sterken, maar jullie verwijten – wat tonen die aan? Nemen jullie me mijn woorden kwalijk? Is mijn vertwijfeld spreken voor jullie niets dan wind? Een weeskind zouden jullie nog verdobbelen, jullie zouden zelfs je eigen vriend verkopen! Keer mij je gezicht toe en luister. Ik zal tegen jullie toch niet liegen? Bezin je, laat geen onrecht gebeuren. Bezin je, nog altijd sta ik in mijn recht.
Job weet dat geen enkel mens onschuldig is tegenover God. Zo zegt hij:
‘Zeker, ik weet dat het zo is, hoe kan een mens in zijn recht staan tegenover God? Als je met Hem een rechtsgeding wilt aangaan, heb je niet één op de duizend maal een weerwoord. Wijs van hart is Hij, oppermachtig, wie kan Hem straffeloos trotseren?’
En Job? Hij roept tot God. En heeft heel veel vragen. Heb ik gezondigd? Waarom hebt U mij tot mikpunt gekozen? Wilt U mij verdelgen? Waarom hebt U mij ter wereld laten komen? Waarom behandelt U mij als Uw vijand? Bewaart God de ellende voor Zijn kinderen? Job roept tot God dat Hij een rechtszaak zou willen hebben waarin hij zijn zaak zou kunnen bepleiten. Maar die rechtszaak komt er niet, want hij weet niet waar hij God kan vinden.
In de discussie tussen Job en zijn vrienden komen we een aantal malen beelden tegen uit de natuur. Ook Job gebruikt de natuur om aan te geven dat hij niet twijfelt aan de macht van God. Opmerkelijk is de volgende tekst:
Vraag Behemoth hiernaar, het zal je onderrichten, vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen. Of spreek tot de aarde, ze zal je onderrichten, het wordt je verteld door de vissen van de zee.
In de gebruikelijke vertalingen staat hier niet Behemoth maar ‘het vee’. Joodse vertalers geven echter aan dat Job hier verwijst naar Behemoth, en niet naar het vee, zoals de gebruikelijke vertalingen aangeven. Daarnaast verwijst hij naar de dieren in de lucht, op de aarde en in de zee. Voor Job is de Behemoth een zeer imponerende dier geweest. We komen deze later nog een keer tegen.
Job blijft zich verzetten tegen de conclusie van zijn vrienden dat hij schuldig is. En ja, hij ziet ook dat het de goddelozen vaak goed gaat en dat degenen die in God geloven niet altijd voorspoed hebben. Zo zegt hij:
Waarom leven goddelozen lang, tot in hun ouderdom welvarend en gezond? Zij leven en ze zien hun kinderen gedijen, en zelfs de kinderen van hun kinderen. In hun huis heerst vrede zonder vrees, ze worden niet getroffen door Gods gesel. Hun stieren springen en bevruchten, hun koeien kalven zonder misdracht. Hun kinderen rennen buiten rond, vrolijk als de schapen en de geiten. Ze zingen, begeleid door lier en tamboerijn, ze vermaken zich bij fluitmuziek. Hun leven kent slechts voorspoed en rustig dalen ze af naar het dodenrijk. Ze zeggen tegen God: “Blijf ver van ons, wij willen niet de wegen volgen die U wijst. Wie is de Ontzagwekkende dat wij Hem zouden eren? Wat baat het ons tot Hem te bidden?” Maar de welvaart ligt niet in hun eigen handen, laat wat goddelozen denken verre van mij blijven!
Als de drie vrienden uitgesproken zijn houdt Job een soort van slotrede. Hij komt tot de conclusie dat de wijsheid verborgen is:
Er is een plaats waar zilver wordt gevonden, een plaats waar goud gewassen wordt. IJzer wordt uit de aarde opgedolven en koper wordt uit erts gesmolten. De mens verdrijft de duisternis, hij dringt door tot in het binnenste der aarde, tot aan de steen van diepst verborgen donkerte. Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid, tot waar zijn voet geen steun meer vindt en hij verloren in de leegte hangt. In de aarde kiemt het koren, diep daar beneden woelt een vuur. Daar zijn de stenen van saffier, daar is het stof van goud. De roofvogel kent niet het pad erheen, het haviksoog ontdekt het niet. De trotse dieren zullen het nooit betreden, ook de leeuw waagt zich er niet. De mens zet het houweel in het gesteente, hij keert de bergen om vanaf hun voet. In de rotsen hakt hij tunnels uit en zijn oog ontdekt hun kostbaarheden. Hij damt de ondergrondse stromen in en brengt naar het licht wat diep verborgen is. Maar de wijsheid – waar moet je haar zoeken, en het inzicht – waar is het te vinden? Geen sterveling kent de weg erheen, de wijsheid is niet in het land der levenden. De oervloed zegt: ‘Ze is niet bij mij,’ de diepste zee: ‘Bij mij evenmin.’ De wijsheid is niet te koop voor enig goud, noch kan ze in zilver worden afgewogen. Kostbaarder is ze dan het goud van Ofir, dan de duurste onyx of saffier. Ze wordt niet geëvenaard door goud of glas, niet verworven voor schalen van het fijnste goud. Vergelijk haar niet met robijnen of kristallen, een buidel wijsheid is meer waard dan parels. Topaas uit Nubië kan haar niet evenaren, ze is kostbaarder dan zuiver goud.
Als Job is uitgesproken, komt een vierde vriend aan het woord, Elihu. Hij heeft gewacht met spreken omdat hij jonger is dan de anderen. Maar zijn betoog is net zo scherp als de andere. Job heeft volgens hem onvoldoende ontzag voor God. En dan wijst Elihu op de natuur:
Luister, luister naar zijn daverende stem, naar het rommelen dat uit zijn mond komt. Hij laat het rollen langs de hele hemel, zijn schichten lichten tot het einde van de aarde. Dan horen we zijn donder bulderen, zo is het geluid van zijn majesteitelijke stem, en doet Hij eenmaal van zich spreken, dan laat Hij steeds meer bliksems volgen. God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen, Hij doet grote dingen, die wij niet bevatten. Hij beveelt de sneeuw: “Val op de aarde,” Hij zegt de regenvloed: “Stort neer met al je kracht.”
Nadat Elihu aan het woord is geweest, en alle vrienden uitgesproken zijn, geeft God antwoord. En dat antwoord is opmerkelijk.
We zouden verwachten dat God nu weleens duidelijkheid zou geven. Zou aangeven dat de vrienden ongelijk hebben. Dat Job niet vanwege zijn zonden dit lijden moet ondergaan. Maar wat we zien is dat in plaats daarvan Job een reeks van vragen van God krijgt. De vele vragen van Job worden beantwoord met een even zo lange reeks van vragen van God. Vragen waarin God wijst op de natuur. God wijst Job erop dat Hij de natuur heeft geschapen. De sneeuw, de wind, donder, bliksem en regen, en ijs. De sterren aan de hemel. Het is alles Gods werk. Maar de lijst van voorbeelden die God noemt bevat ook een aantal opmerkelijk voorbeelden. De wilde stier, die zeer sterk is maar die niet ingezet kan worden voor de landbouw omdat hij niet te temmen is. De domme struisvogel, die weliswaar grote vleugels heeft maar die niet kan vliegen. De struisvogel, die haar eieren ergens neerlegt en achterlaat waar anderen ze kunnen vertrappen. En de gier die wacht totdat er slachtoffers zijn om hun bloed te drinken.
De opsomming wordt afgesloten met de beschrijving van twee machtige dieren, de Behemoth en de Leviathan. In verschillende Nederlandse vertalingen worden deze dieren vertaald met respectievelijk nijlpaard en krokodil. Dat is een verlegenheidsvertaling, omdat niemand weet om welke dieren het gaat. Als we de beschrijving lezen dan moeten het dieren zijn geweest die heel wat indrukwekkender waren dan een nijlpaard en krokodil. Feitelijk doen deze beschrijving veel meer denken aan prehistorische dieren.
De Behemoth en de Leviathan waren dieren die tot de grootste en indrukwekkendste dieren behoren die Job gekend moet hebben. Het valt op dat God eerst de Behemoth noemt, die Job zelf ook al had vermeld. Om dan vervolgens met een dier te komen die daar nog bovenuit gaat. Het is niet moeilijk om Gods macht te zien in die geweldige dieren. Maar in Gods natuur zien we ook de wilde stier die niet te temmen is, de domme struisvogel, de bloeddorstige gier. En de boodschap is duidelijk. Weliswaar begrijpen we niet alles, het loopt God niet uit de hand. En Job erkent dat. Hij zegt: ‘Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’. Job krijgt geen pasklaar antwoord op de vraag waarom hem dit lijden moest overkomen. Wat God zeggen wil is dat Job erop moet vertrouwen dat het God niet uit de hand loopt. Dat Job op Hem moet vertrouwen.
En dat is ook voor ons een belangrijke boodschap. We krijgen niet altijd een antwoord op de vraag waarom we lijden moeten ervaren. Maar wel worden we opgeroepen om erop te vertrouwen dat het God niet uit de hand loopt. Net zoals de natuur veel raadsels kan hebben, kunnen we ook in ons eigen leven veel vragen tegenkomen. Maar zoals God ervoor gezorgd heeft dat de natuur functioneert, zo mogen ook wij erop vertrouwen dat het in ons leven God niet uit de hand loopt.
Zoals in het begin van deze podcast al is aangegeven, wil ik afsluiten met de beschrijving van de Leviathan. Deze beschrijving is de afsluiting van het antwoord van God, waarin op een indrukwekkende manier God duidelijk maakt hoe Zijn macht zichtbaar is in de natuur.
Kun jij Leviatan met een haak op de kant trekken en met een koord zijn tong beteugelen? Kun jij een touw door zijn neus halen en met een priem zijn kaak doorboren? Zou hij jou bidden en smeken en vriendelijke woorden tot je richten? Zou hij een verbond sluiten met jou, zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben? Kun je met hem spelen als met een vogel, hem aan een touw houden, voor je dochters? Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen en hem tussen de kooplieden verdelen? Kun jij speren in zijn huid planten en een harpoen door zijn kop steken? Waag het eens hem aan te raken – weet wel: het zou je laatste strijd zijn. De hoop van elke aanvaller wordt beschaamd, alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen. Wie zou het wagen om hem op te schrikken? Wie kan aantreden om met hem te strijden? Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten? Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet. Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen, over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte. Wie kan zijn opperhuid afvillen? Wie dringt door zijn dubbele pantser heen? Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen? Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil. Zijn rug is met schilden geschubd, ondoordringbaar verzegeld. Ze sluiten dicht op elkaar aan en laten niet de minste lucht door; het ene kleeft vast aan het andere, aaneengesloten en onscheidbaar. Wanneer hij proest, flikkert het licht, zijn ogen schitteren als de dageraad. Brandende fakkels komen uit zijn bek, vonkenregens vliegen door de lucht. Zijn neusgaten walmen, als een kokende ketel of rokend riet. Zijn adem laat kolen ontbranden, uit zijn bek slaat een vlam. Zijn nek zwelt op van kracht, zijn muil straalt niets dan verschrikking uit. Zijn vlees sluit dicht om hem heen, als om hem gegoten, onwrikbaar. Zijn hart is hard als een rots en hard als de onderste maalsteen. Komt hij overeind, dan deinzen machtigen terug, sidderend slaan ze op de vlucht. Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand, geen speer, geen lans, geen pijl. IJzer beschouwt hij als stro, brons als rot hout. Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog, slingerstenen raken hem – het zijn maar stoppels. Voor hem is een knuppel als stro en hij lacht om het suizen van speren. Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf; als een dorsslede snijdt hij door de modder. Hij laat de diepten kolken, de zee als een mengkroes zieden. Hij laat een spoor van lichten achter, alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond. Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet, hij is een schepsel zonder vrees. Op al wat hoog is kijkt hij neer, hij is de koning van alle trotse dieren.’
Het is niet moeilijk om Gods macht te zien in een geweldig dier zoals deze Leviathan. Maar als we belijden net als Job dat we God in de andere dingen van de natuur zien, dan moeten we erkennen dat er ook wel vreemde dingen zijn. Dingen die we niet begrijpen. En waarvan we geloven dat God ook dat in de hand heeft. Job nodigt ons uit om op vergelijkbare manier te vertrouwen dat het God niet uit de hand loopt bij alles wat in ons leven kan gebeuren. Het boek laat ons zien dat we lang niet altijd pasklare antwoorden krijgen. Dat er zelfs onbegrijpelijke dingen kunnen gebeuren. Maar dat we erop moeten vertrouwen dat God alles in Zijn hand heeft.
Ik wil afsluiten met een verwijzing naar een Joodse legende. In de Joodse volksliteratuur zijn de Behemoth en de Leviathan twee mythische dieren geworden die het kwaad vertegenwoordigen. De Behemoth is daarin een mannelijk dier dat leeft op het land, en de Leviathan een vrouwelijk dier dat leeft in het water. We vinden een echo van deze legende in het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring aan Johannes. Daarin komen we een beest uit de aarde en een beest uit de zee tegen, die het kwaad verbeelden. Deze beelden zijn gebaseerd op deze Joodse legende.
Tot zover Job. In de volgende podcast pakken we weer de draad op van Genesis. Dan bespreken we de geschiedenis van Abraham, Izak en Jakob.