Mozes (1) (Exodus)

Integrale tekst van de podcast

De vorige podcast hebben we stilgestaan bij de geschiedenis van Jozef. Dankzij Jozef bleven Jakob en zijn familie in leven in een periode van een langdurige hongersnood. Jakob is met zijn familie gaan wonen in Gosen, in het noordoosten van het land Egypte. En daar zijn ze geruime tijd blijven wonen.

De Bijbel pakt de draad weer op bij de uittocht uit Egypte. Het vertrek uit Egypte, de 40-jarige tocht door de woestijn en de verovering van het beloofde land zijn de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël. We zullen later in deze serie nog zien dat God bij herhaling verwijst naar deze gebeurtenissen om aan te geven hoe veel Hij van Zijn volk houdt, en om op te roepen tot vertrouwen in Hem. Het is ook niet zonder reden dat Israël elk jaar een aantal keren tijdens de feesten aan deze gebeurtenissen werd en wordt herinnerd.

We vinden de geschiedenis van Mozes en de Uittocht beschreven in de boeken Exodus en Numeri. In deze podcast staan we stil bij het boek Exodus, en in de volgende podcast gaan we Numeri bespreken.

De periode vanaf de komst van Jakob naar Egypte tot aan de Uittocht uit Egypte is 215 jaar geweest. De geschiedenis van Jozef speelt zich af in het begin van deze periode. De geschiedenis van Mozes en de Uittocht aan het einde. Over de tussenliggende tijd weten we niets. Zowel Exodus als Numeri geven alleen de geschiedenis van de eerste tijd in Egypte en de laatste tijd weer. Wat er tussen de tijd van Jozef en de tijd van Mozes is gebeurd, is niet beschreven.

 

De beschrijving van de geschiedenis begint met de mededeling dat er een nieuwe koning in Egypte aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend heeft. Op basis van de Egyptische chronologie is dat waarschijnlijk  Thoetmoses 1 geweest zijn. Hij ziet in de groeiende groep nakomelingen van Jakob een bedreiging. De bevolking wordt gedwongen slavenarbeid te verrichten en de pasgeboren jongetjes worden vermoord. Een Joods echtpaar, Amram en Jochebed, krijgen een zoontje, en leggen hem in een mandje in de Nijl. Daar wordt hij gevonden door de dochter van de farao. Dat moet Hatsjepoet geweest zijn. Zij stemt ermee in dat Mozes, zoals zijn naam wordt, wordt gevoed door zijn moeder Jochebed  Als de periode van de voeding door de moeder voorbij is, groeit Mozes op aan het hof.

 

Als Mozes is opgegroeid, verschijnt God aan hem. Hij is dan in het land Midjan. Tot twee maal toe roept God Mozes. De eerste keer is als Mozes een brandende struik ziet, die niet verteert. Dit is de eerste keer na lange tijd dat God rechtstreeks spreekt tot iemand. We lezen in de Bijbel dat God meerdere malen spreekt tot Abraham, Izak en Jakob. Maar in de hele geschiedenis van Jozef spreekt God slechts één keer. Als aan het einde van deze geschiedenis Jakob te horen krijgt dat Jozef nog leeft en Jozef hem wil laten wonen in het gebied Gosen, dan twijfelt Jakob. Dit is het moment dat God rechtstreeks tot Jakob spreekt, en aangeeft dat hij daadwerkelijk naar Egypte moet gaan. De eerstvolgende keer dat God tot iemand spreekt, is bij de roeping van Mozes. Als God bij die brandende struik tot Mozes spreekt, maakt hij ook voor het eerst Zijn naam bekend, Jahweh. Deze naam is moeilijk te vertalen. Het betekent zo iets als ‘de zijnde’, of ‘Hij die  is’. In de meeste Nederlandse vertalingen wordt deze Naam weergegeven als HEER met allemaal hoofdletters.

Bij die brandende struik wordt duidelijk dat Mozes de opdracht krijgt om het volk naar het beloofde land te leiden. Gods belofte aan Abraham, Izak en Jakob zal nu in vervulling gaan.

Daarna roept God Mozes nog een keer. Dan wordt ook duidelijk dat God de Egyptenaren zwaar zal straffen. Het volk Israël zal dan weten dat Jahweh hun God is.

Beide keren dat God aan Mozes verschijnt verwijst Hij naar de belofte die Hij aan Abraham, Izaak en Jakob heeft gedaan. De draad wordt weer opgepakt. En feitelijk is de periode in Egypte, die begon met Jozef, niets meer dan een tussenperiode geweest.

 

Het vertrek uit Egypte wordt ingeluid door een reeks van tien plagen. God laat tien plagen over het land Egypte komen om Zijn macht te tonen. Deze plagen leidden er uiteindelijk toe dat de farao het volk laat gaan.

De tien plagen zijn samengevat de volgende:

 

Bij de eerste plaag wordt het water van de Nijl en van de waterbronnen veranderd in bloed

Daarna wordt het land bedolven onder de kikkers.

Vervolgens verandert het stof in muggen en bedekken de muggen mens en dier.

Bij de vierde plaag lezen we dat het land wemelt van de steekvliegen of ongedierte, afhankelijk van de vertaling.

Dan komt er veepest het vee doet sterven.

Vervolgens krijgen mens en dier zweren of puisten, ook weer afhankelijk van de vertaling.

Bij de zevende plaag treft zware hagel mensen, dieren en planten.

Dan bedekken zwermen sprinkhanen het hele land.

Bij de een-na-laatste plaag bedekt duisternis het land gedurende drie dagen

En tot slot de tiende plaag, waarin de eerstgeborenen gedood worden.

 

In deze reeks plagen zit een bepaalde opbouw.

We zien een opvallend verschil tussen de eerste helft van de plagen en de tweede helft. In de eerste vijf plagen wordt steeds vermeld dat de farao hardnekkig bleef weigeren. Bij de zesde plaag lezen we voor het eerst dat de Heer ervoor zorgde dat de farao bleef weigeren. En die opmerking wordt herhaald bij de achtste en negende plaag, en bij de aankondiging van de tiende plaag. 

Het is goed om hier even bij stil te staan. In eerste instantie is het dus zo dat de farao daadwerkelijk de mogelijkheid had om toe te geven en het volk te laten gaan. Als de farao bij herhaling blijft weigeren, dan zorgt God ervoor dat hij in zijn weigering volhardt. En leert de geschiedenis dat het wonder van de uittocht alleen maar groter wordt. Want uiteindelijk zal God de Egyptenaren zo hard treffen dat ze het volk graag zien vertrekken.

 

Er zit ook nog een andere opbouw in de plagen. Bij de eerste zeven plagen lezen we hoe Mozes aan de farao opdraagt om Gods volk te laten gaan. De farao weigert, en dan lezen we als toelichting bij de aankondiging van de zevende plaag: De HEER zei tegen Mozes: ‘Wacht de farao morgen in alle vroegte op en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. Dit keer tref Ik jouzelf, je hovelingen en je volk met mijn zwaarste plaag, dan zul je beseffen dat er op de hele aarde niemand is als Ik. Ik had mijn hand allang naar jou en je volk kunnen uitstrekken en jou met de pest kunnen treffen, dan was je al van de aarde weggevaagd. Maar Ik heb je alleen in leven gelaten om jou mijn macht te tonen en om mijn naam op heel de aarde bekend te maken.

De eerste zeven plagen waren gericht op het laten zien van de grootheid van God. Maar daarna, vanaf de achtste plaag, wordt het blik vooruit gericht op de naderende uittocht. De dienaren van de farao smeken de farao om het volk te laten gaan en voor het eerst suggereert de farao dat hij erover wil onderhandelen. De farao wil de volwassenen laten gaan, maar zonder kinderen en kleinvee. Na de negende plaag mogen wel de kinderen mee, maar niet het kleinvee. Dit is de laatste ontmoeting van Mozes met de farao. Na de negende plaag is alles gericht op de naderende uittocht, waarbij alle mensen inclusief hun vee zullen vertrekken.

 

Tot slot valt nog iets anders op. De tien plagen blijken een opmerkelijke reeks te vormen. De eerste twee plagen zijn gerelateerd aan water: het water wordt bloed en uit het water komen kikkers. De volgende twee, muggen en ongedierte, hebben betrekking op de aarde. Dan wordt het lichaam van dieren aangetast door veepest en van mensen door puisten. De volgende stap betreft de lucht met hagel en sprinkhanen. En tot slot krijgen we twee plagen die plaats vinden buiten de stoffelijke wereld, namelijk duisternis en de dood van de eerstgeborenen. De Egyptenaren hadden voor elk terrein hun eigen goden, maar hier laat God zien dat Hij macht heeft over de hele schepping, van het water beneden tot de lucht boven. Alle goden van de Egyptenaren stellen niets voor. Bij de negende plaag, als er duisternis valt over het land Egypte maar niet op het land Gosen, dan wordt de belangrijkste god van de Egyptenaren te kijk gezet. Dat was Re, de god van de zon. Bij de tiende plaag, als er tal van mensen overlijden onder de Egyptenaren, wordt duidelijk dat de Egyptische goden zelfs de dood niet kunnen tegenhouden.

 

Bij vijf van de tien plagen wordt het volk Israël uitgezonderd van de plagen. Dat onderstreept de macht van God, die ervoor zorgt dat de Egyptenaren wel worden getroffen en het land Gosen niet.

De tiende plaag is in meer dan één opzicht bijzonder. De Israëlieten moeten een lam slachten en het bloed aan de deurpost smeren. Alleen dan zouden hun eerstgeborenen niet gedood worden. Pas later zou de diepe betekenis van dit gebeuren duidelijk worden. God wil voor Zijn volk zorgen en hen na het beloofde land brengen, zoals Hij beloofd heeft aan Abraham, Izaak en Jakob. Maar het symbool van het lam maakt duidelijk dat het volk geen gelijkwaardige partner van God is. Integendeel, alleen uit genade wil God dit doen. De relatie tussen God en Zijn volk is ongelijkwaardig, en kan alleen in stand blijven als er verzoening plaatsvindt. Dat maakt het teken van het bloed duidelijk. En dat moet het volk herdenken als jaarlijks dit gebeuren wordt herdacht tijdens het Pesach feest.

 

 

Exodus is geen chronologische beschrijving van de geschiedenis van de Uittocht, maar blijkt een opvallende structuur te hebben. Exodus bestaat uit drie delen, die alle drie eindigen met een openbaring van God.
Het eerste deel gaat over de Uittocht. Dit deel eindigt met het lied van Mozes aan de zee. Daarin wordt de macht van God bezongen, die groter is dan die van alle andere goden.

In het tweede deel staat de ontvangst van de tien geboden op de berg Sinaï centraal. Dat deel eindigt met het beeld dat de heerlijkheid van God op de berg Sinaï rust.

Vervolgens lezen we in het derde deel over de bouw van de tabernakel. Dat deel eindigt met de wolk van God die de tabernakel bedekt.

In principe drie duidelijk afgebakende delen. Echter, als we letten op deze drie delen dan valt op dat er een passage is die eruit valt. Tussen het eerste deel en het tweede deel zit nog een intermezzo. In dit intermezzo wordt een bezoek van Jetro, de schoonvader van Mozes, beschreven. Dit intermezzo bevat een duidelijke sleutel voor het begrijpen van Exodus.

We gaan nu de drie delen en het intermezzo nader bekijken.

 

We beginnen met het eerste deel van Exodus, over de uittocht.

We lezen over het doel van de Uittocht in de volgende tekst: Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft Mij aan die belofte herinnerd. Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, Ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Ik zal jullie verlossen met opgeheven arm en de Egyptenaren zwaar straffen. Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en Ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat Ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd.

Als we kijken naar het Hebreeuwse taalgebruik in Exodus dan vallen drie woorden op in dit deel: ‘verbond’, ‘weten’ en ‘dienst’. God heeft een verbond met Abraham, Izak en Jakob en daarom zal Hij hen brengen naar het beloofde land. Het tweede punt is ‘weten’ dat er maar één God is. Hij zal Zijn volk aannemen zodat zij zullen weten dat God hun god is. Vervolgens lezen we dat Farao en Egypte zullen weten dat er geen god is die groter is dan de God van Israël. En in de derde plaats: God zal een einde maken aan de dienst van de farao. En we zullen straks zien dat in het derde deel van Exodus de dienst van Israël aan God centraal staat. De slavendienst van Egypte wordt verbroken, de dienst van God waarin vergeving centraal staat krijgt staat centraal. Deze drie trefwoorden staan centraal in dit deel: verbond, weten en dienen.
Dit deel eindigt met de tiende plaag waarin het bloed aan de deurpost Israël redt van de dood van de eerstgeborenen, en het lied van Mozes. Daarin lezen we dat Israël God erkent. Maar over ‘weten’, een woord dat een diepere relatie aanduidt, wordt niet gesproken.

 

 

Dan komen we nu bij het intermezzo. Tussen het eerste deel en het tweede deel staan een paar korte geschiedenissen die betrekking hebben op de woestijnreis. Dit is alles wat Exodus ons over de woestijnreis meedeelt. Een dubbele geschiedenis over water, namelijk Mara en Elim, en een dubbele geschiedenis over eten, om precies te zijn over kwartels en over manna. Dat manna is voedsel dat het volk gedurende veertig jaar in de woestijn heeft gegeten. En ondanks het feit dat Israël steeds weer voldoende eten en drinken van God krijgt, komen ze opnieuw in opstand als er later bij de Horeb geen water is. Tot viermaal toe lezen we in dit deel dat het volk God op de proef stelde. En dat is opmerkelijk, gezien de wonderlijke manier waarop God het volk uit Egypte had bevrijd. Ondanks dat, was er dus geen vertrouwen in God.
Daarna lezen we over de strijd tegen Amalek. Alleen door de bemiddeling van Mozes kon Israël de overwinning behalen. Het maakt duidelijk wat de positie van Mozes was. En tot slot komt Jetro Mozes opzoeken, met diens vrouw Zippora en hun twee zonen.

Even een korte toelichting bij Jetro. Op een gegeven moment ziet Mozes dat een Egyptenaar een Israëliet mishandelt. Mozes grijpt, en doodt de Egyptenaar. Dit blijkt echter niet onopgemerkt te zijn gebleven, en Mozes vlucht naar het land Midjan. Daar aangekomen helpt hij zeven zussen met het water putten. Hij wordt uitgenodigd bij hun vader Jetro. Hij blijft werken bij Jetro en trouwt met één van de zeven dochters, Zippora. Kennelijk is Zippora op een gegeven moment met hun twee zoons weer teruggegaan naar haar vader. Naar de reden hiervoor kunnen we slechts gissen. Maar nu lezen we dat Jetro met Zippora en haar twee zoons Mozes komen opzoeken in de woestijn.

 

Deze geschiedenis bevat de sleutel tot het begrijpen van de bedoeling van Exodus. Want daar waar we lezen dat Israël keer op keer God op de proef stelde, zien we dat Jetro tot de erkenning komt dat er maar één God is: Nu zie ik in dat de HEER machtiger is dan alle andere goden.

Voor het eerst lezen we dat iemand weet (in het Hebreeuws ‘jada’) dat God groter is dan de andere goden. Die erkenning is er niet door het volk Israël, en ook in het lied van Mozes direct na de doortocht door de Rietzee lezen we dit niet. Maar de schoonvader van Mozes erkent het wel. Dit betekenis van het woord ‘weten’ (‘jada’) gaat in de Bijbel veel verder dan gewoon verstandelijk erkennen. Het duidt een relatie aan. Een nauwe relatie. Israël heeft die relatie met God nog niet, maar Jetro wel, en is daarmee een voorbeeld.
Vanuit deze intermezzo wordt duidelijk wat het doel van het boek Exodus is: duidelijk maken dat God een relatie wil hebben met het volk Israël, waarin Hij gediend en erkent wordt als God. En om dat duidelijk te maken wordt de geschiedenis beschreven in drie stappen: de Uittocht uit Egypte, de wetgeving en de bouw van de tabernakel.

 

Het tweede deel over de wetgeving begint met de mededeling dat Mozes de berg Sinaï opgaat. Daar heeft hij mondeling de wet ontvangen en nadat hij weer teruggekeerd was doorgegeven aan de Israëlieten. Even voor de duidelijkheid. Het volk Israël heeft dus eerst de tien geboden mondeling gekregen, en pas later op twee stenen tafels. Op de berg verwijst God naar de Uittocht: “Jullie hebben gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met Mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort Mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ 

Het thema van het verbond wordt opgepakt vanuit het eerste deel. God wil dat het volk laat zien dat ze door God afgezonderd, geheiligd, zijn en dat ze daarom zullen leven zoals God dat wil.
Het middendeel omvat dan een aantal geboden, en dit deel eindigt opnieuw met Mozes op de Sinaï. Mozes neemt dan de twee stenen tafelen mee waarop God de Tien Geboden zal schrijven. Daarmee vormt dit deel een duidelijk afgebakend geheel: zowel aan het begin als aan het einde gaat Mozes de Sinaï op.

 

Het derde deel heeft een opvallende spiegelbeeldige opbouw. Het begint met een beschrijving van de bouw van de tabernakel. Dan volgt het sabbatsgebod. In het midden lezen we de geschiedenis van het gouden kalf. Daarna weer het sabbatsgebod. En dit deel sluit af met hetzelfde thema als waar we mee begonnen zijn, de bouw van de tabernakel.

In het midden van dit deel lezen we over de geschiedenis van het gouden kalf. Mozes krijgt op de berg de wet op stenen tafels van God. En hij krijgt te horen dat het volk een afgod heeft gemaakt en die vereert. Het verbond, zoals Mozes die al eerder aan het volk mondeling had meegedeeld, is al verbroken nog voordat Mozes met de twee stenen tafels naar beneden is gekomen. Dan vind er een discussie tussen God en Mozes plaats. In eerste instantie stelt God voor om uit Mozes een groot volk te maken. God wil het volk verdelgen. Maar dan pleit Mozes voor het volk. Wat zouden de Egyptenaren daar wel niet van moeten denken? En God had toch aan de nakomelingen van Abraham, Izak en Jakob veel nakomelingen en een land beloofd? En God belooft het niet te zullen doen.

Mozes gaat dan met de twee stenen tafelen naar beneden. Bij het zien van de aanbidding van het gouden kalf gooit hij deze stenen tafelen kapot. Nadat Mozes orde op zaken heeft gesteld geeft God aan dat Hij een engel in Zijn plaats zal meesturen, maar Mozes pleit ervoor dat God Zelf mee zal gaan. Vervolgens vraagt hij om de heerlijkheid van God te mogen zien.  Dan verschijnt God aan Mozes, nadat Mozes twee nieuwe stenen tafelen heeft gemaakt, als hij voor de derde keer de berg Sinaï opgaat: De HEER daalde neer in een wolk, Hij kwam bij Mozes staan en riep de naam HEER uit. De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die trouw blijft tot in het duizendste geslacht, die schuld, misdaad en zonde vergeeft maar niet alles ongestraft laat, en die voor de zonde van de ouders de kinderen en kleinkinderen ter verantwoording roept, tot in het derde en vierde geslacht.’ Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. ‘Als U mij goedgezind bent, Heer,’ zei hij, ‘trekt U dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.’ De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal Ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen Ik, de HEER, voor jou zal doen.

In het midden van dit derde deel over de bouw van de tabernakel wordt duidelijk dat God een relatie met Israël wil hebben, en dat dit alleen mogelijk is doordat God wil vergeven. De tabernakel laat zien dat God wil wonen in het midden van Zijn volk, maar er blijft afstand. God woonde in het Allerheiligste, een afgesloten deel in de tabernakel. Alleen de Hogepriester mocht eens per jaar in het Allerheiligste komen, en dan nog alleen nadat er offers waren gebracht voor de zonden van het volk en de zonden van de hogepriester. Dagelijks moesten offers het volk eraan herinneren dat alleen door vergeving er een relatie met God mogelijk is. De eerste hogepriester is Aäron, de broer van Mozes.
In het taalgebruik van het derde deel valt op dat twee begrippen vanuit het eerste deel weer worden opgepakt, namelijk ‘dienen’ en ‘weten’. Het volk zal niet langer de farao dienen, maar alleen nog God. En de tabernakel laat zien hoe God gediend wil worden. Daarnaast valt op dat in het tweede deel over de wetgeving nergens gesproken wordt over ‘weten’ wie God is. Maar hier in dit derde deel lezen we dat Mozes en het volk zullen weten wie God is.

 

Het heiligste onderdeel van de tabernakel is de Ark. Hierin liggen de twee stenen platen met de Tien Geboden. Als later het Hogepriesterschap van Aäron wordt betwist, laat God de staf van Aäron bloeien als teken dat Hij hem heeft uitgekozen. In de volgende podcast komen we hier nog op terug. Deze staf wordt eveneens in de Ark gelegd. Ook werd er een kruikje manna in gelegd, het voedsel dat de Israëlieten in de woestijn hebben gegeten. Het is opvallend hoe de drie voorwerpen in de Ark de opbouw van exodus weerspiegelen. De drie delen van Exodus zijn de uittocht, de wet en de tabernakel. De drie artikelen in de Ark zijn manna, de tien geboden en de staf van de hogepriester Aäron.

 

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de tabernakel en het paradijs:

  • Aan het einde van de schepping zegt God: ‘God zag alles wat Hij had gemaakt: het was zeer goed’. Als de tabernakel is gebouwd, zegt Mozes: ‘Alles was gemaakt zoals de HEER het Mozes had opgedragen. Toen Mozes zag dat de Israëlieten alles precies volgens de opdracht van de HEER hadden gemaakt, zegende hij hen’.
  • Verder lezen we aan het einde van de schepping: ‘Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid. Op de zevende dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had’. En als de tabernakel is afgerond: ‘Zo legde Mozes de laatste hand aan het werk’. Hier wordt in het Hebreeuws dezelfde uitdrukking gebruikt als aan het einde van de schepping.
  • In beide gevallen lezen we van een zegen: ‘God zegende de zevende dag’ en ‘Toen Mozes zag dat de Israëlieten alles precies volgens de opdracht van de HEER hadden gemaakt, zegende hij hen’.
  • Als Adam en Eva uit het paradijs zijn gezet, zet God cherubim (dat zijn engelen) voor het paradijs om ervoor te zorgen dat ze niet kunnen terugkeren. Diezelfde engelen komen we ook tegen als afbeelding op het voorhangsel (gordijn) dat het Allerheiligste, waar de Ark van God staat, afsluit. En twee engelen staan naast de Ark, met hun vleugels erover heen gespreid.

 

Aan het slot van dit derde deel, het einde van Exodus, lezen we hoe Gods majesteit bezit neemt van de tabernakel door het te vullen met een wolk. Vanaf nu is dit de plaats waar God woont en door bemiddeling van Mozes Hij tot het volk spreekt. De gelijkenis met de verschijning van God op de Sinaï is opvallend. Als God op de Sinaï verschijnt lezen we: ‘Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: de majesteit van de HEER rustte op de Sinai. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog’. Dezelfde beelden van een wolk en vuur worden genoemd in combinatie met de tabernakel: ‘Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de HEER. Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de HEER vulde de tabernakel. Zolang hun tocht duurde, trokken de Israëlieten pas verder wanneer de wolk zich van de tabernakel verhief. Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken ze niet verder; ze wachtten tot de wolk weer opsteeg. Zolang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de HEER op de tabernakel, ’s nachts verscheen er een vuur in, dat voor alle Israëlieten zichtbaar was’. Het is duidelijk dat Gods aanwezigheid in wolk en vuur zowel op de Sinaï als in de tabernakel zichtbaar was.

 

We zien hier een ontwikkeling van de manier waarop God Zijn relatie met de mens onderhoudt. Van de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob spreekt God rechtstreeks. Ook Jozef krijgt rechtstreeks openbaringen van God, met name als het gaat om het uitleggen van dromen. Mozes krijgt ook rechtstreeks van God de opdracht om het volk te leiden, en de plagen worden door hem ook in opdracht van God uitgevoerd. Maar we zien daarnaast iets nieuws. Mozes is een bemiddelaar die namens het volk tot God spreekt, en die namens God tot het volk spreekt.

En God is enerzijds meer zichtbaar, en anderzijds meer op afstand. Meer zichtbaar omdat Hij nadrukkelijk Zijn intrek neemt in de tabernakel. Maar ook meer op afstand omdat niemand zomaar de tabernakel mag benaderen. Dat wordt onderstreept door de afbeeldingen van engelen op het voorhangsel. Het volk onderscheidt zich niet alleen in het onderhouden van de sabbat en de besnijdenis, maar ook door het onderhouden van regels met betrekking tot voedsel. Ook maken de wetten van God duidelijk hoe God wil dat de verhouding tussen Hem en Zijn volk, en tussen de mensen onderling eruit moet zien. Maar niet omdat daardoor Gods gunst verdiend kan worden, want het is en blijft genade dat God voor Zijn volk zorgt. En dat wordt beklemtoond doordat er een afstand is tussen God en Zijn volk. Alleen de hogepriester Aäron en zijn nakomelingen mochten in de buurt van Gods ark kome.

 

 

 

Exodus bevat een boodschap die veel verder rijkt dan het vertellen van een geschiedenis. God heeft een verbond gesloten met Abraham, Izak en Jakob. En daarom wil hij diens nakomelingen bevrijden vanuit Egypte en brengen naar het beloofde land. Hij wil een einde maken aan het dienen van de Farao en het volk de vrijheid geven om Hem alleen te dienen. En God zal ervoor zorgen dat het vertrek wordt voorafgegaan door geweldige tekenen in de vorm van de plagen. Opdat Israël zal weten dat er maar één God is, en ook Egypte dat zal weten.
Het effect is echter teleurstellend. Keer op keer blijkt dat het volk er niet op vertrouwt dat God zijn belofte waar zal maken en het volk naar het beloofde land zal brengen. Gebrek aan water en voedsel leiden ertoe dat men God op de proef stelt, en laten zien dat men God niet vertrouwt. Ondanks het feit dat God keer op keer met een oplossing komt. Kenmerkend voor Gods zorg is dat Hij gedurende de hele reis door de woestijn het volk voedt met manna. Wat het is weten we niet. Het werd opgeraapt door de Israëlieten van de grond, en kon dienen als voedsel. Ook lezen we bij herhaling hoe God voor water zorgt. Maar ondanks dat lezen we steeds weer over gebrek aan vertrouwen. Alleen door bemiddeling van Mozes is er nog een relatie tussen God en Zijn volk mogelijk.
Om het verbond te bekrachtigen geeft God Zijn wet. Het volk moet die wet houden om te laten zien dat het God wil eren. Maar ook dit lukt niet. Nog voordat Mozes met de geschreven wet de berg Sinaï afkomt overtreedt het volk het eerste en belangrijkste gebod, namelijk om geen andere goden te eren.
In een indrukwekkende beschrijving waarin Mozes de heerlijkheid van God ziet, wordt duidelijk dat uiteindelijk alleen genade ervoor kan zorgen dat God Zijn belofte zal nakomen. Het bloed dat door de Israëlieten aan de deurposten werd gesmeerd verwees daar al naar. En de dagelijkse offers in de tabernakel lieten ook al zien dat alleen door bloed vergeving mogelijk is. God wil in de tabernakel in het midden van Zijn volk wonen. Maar uitgangspunt is niet het weten van Israël dat er maar één God is, en niet de trouw waarmee het Zijn wet onderhoudt, maar uitsluitend de genade van God. Door die genade wil God wonen in de tabernakel in het midden van Zijn volk.

 

 

De volgende keer zullen we opnieuw stilstaan bij de uittocht. Dan komt Numeri aan de beurt. Dit Bijbelboek kijkt weer met een andere invalshoek naar de uittocht.

©Auteursrecht. Alle rechten voorbehouden.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.