Mozes (2) (Numeri)
Integrale tekst van de podcast
In deze podcast willen we opnieuw stilstaan bij de uittocht uit Egypte. De geschiedenis van de uittocht vinden we in de Bijbel in zowel het boek Exodus als het boek Numeri. De vorige keer hebben we gekeken naar de beschrijving in Exodus. Deze keer gaan we het boek Numeri bespreken.
Het boek Numeri is bekend om de volkstellingen. Zowel aan het begin als aan het eind komen we een overzicht tegen van het aantal mensen dat bij het volk Israël hoorde. Hoewel hier het nodige over te zeggen valt, willen we dit punt nu laten liggen.
Numeri is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel speelt zich af in de Sinaïwoestijn, aan het begin van de reis door de woestijn. Bij het derde deel bevindt het volk zich in de velden van Moab, en staan het volk aan de vooravond van de verovering van het land. Het middendeel beschrijft de tussenliggende periode, de reis door de woestijn.
In het eerste deel lezen we hoe de tabernakel in het midden van het volk wordt opgesteld. De tabernakel was eigenlijk gewoon een nomadentent. En van buiten zag hij er ook zo uit. Als een tent van geitenhaar. Maar van binnen was het een heel ander gezicht. Door het gebruik van dure materialen en heel veel goud moet het een indrukwekkend gezicht zijn geweest. Om de tabernakel heen worden de tenten van de priesters en Levieten opgesteld. En daar omheen de twaalf stammen. Drie in het noorden, drie in het oosten, drie in het westen en drie in het zuiden. Het is een meer dan symbolische opstelling. Aan de ene kant maakt het duidelijk dat God in het midden van Zijn volk zijn. Dat hij een relatie ermee wil hebben. Dat blijkt uit het feit dat God zorgt voor drinken en voedsel. Dat hij overdag met een wolkkolom en ’s nachts met een lichtkolom Zijn volk de richting wijst. En dat wordt symbolisch duidelijk gemaakt door de aanwezigheid van de tabernakel in het midden. Maar ook zien we hier iets anders. De tabernakel is afgeschermd door de priesters en Levieten. En God woont weliswaar in de tabernakel, maar Hij is niet zomaar toegankelijk. In de tabernakel was het achterste deel afgeschermd door een gordijn, het voorhangsel. En achter het voorhangsel stond de Ark. Daar woonde God. Maar slechts één maal per jaar mocht de Hogepriester daar komen, nadat hij eerste verzoening had gedaan voor de zonden van het volk en de zonden van hemzelf. Zo wordt duidelijk dat de zonde een barrière opwerpt tussen God en Zijn eigen volk. Zonde die zichtbaar wordt in het voortdurende wantrouwen van het volk tegenover God, en het overtreden van Zijn geboden.
Het midden deel heeft een duidelijk spiegelbeeldige opbouw, zoals we die inmiddels wel vaker zijn tegengekomen. Aan het begin staat de start van de reis, en aan het eind de aankomst in de vlakte van Moab. De hele opbouw telt zeven niveaus. Zoals gebruikelijk is het van belang om op het midden te letten. Daar vinden we de geschiedenis van de bloeiende staf van Aäron. We zullen er straks nader op ingaan.
Maar in dit geval is het ook goed om te letten op twee andere geschiedenissen die in deze opbouw tegenover elkaar worden gezet. Dat is de geschiedenis van de verspieders, en de geschiedenis waarin Mozes water uit de rots laat komen. Beide geschiedenissen vinden plaats in hetzelfde gebied, namelijk Kades. De eerste geschiedenis aan het begin van de woestijnreis, en de andere aan het einde. De geschiedenis van de verspieders leidt ertoe dat het volk het beloofde land niet zal mogen ingaan, maar dat hun nakomelingen het land zullen veroveren. En de geschiedenis van het water uit de rots heeft tot gevolg dat Mozes het land niet zal binnengaan, maar dat de intocht in het beloofde land geleid zal worden door zijn opvolger Jozua. We zullen ook deze twee geschiedenissen nader gaan bekijken.
We beginnen met de geschiedenis van de verspieders. Aan het begin van de woestijnreis wordt het land verkend. Uit elke stam wordt één persoon gekozen. En zo trekken twaalf mannen het land door. Ze komen terug, onder de indruk van het land. Het is een land dat inderdaad overvloeit van melk en honing. Maar ook een land dat moeilijk te veroveren is. Er zijn versterkte steden en er wonen reuzen. Slechts twee van de twaalf mannen geven aan dat God in staat is om hun dit land te geven. De andere tien zien het niet meer zitten. Dan slaat ook de stemming van het volk om, en ze worden woedend. Het volk dreigt Mozes en Aäron te stenigen. En dan verschijnt God aan Mozes. Hij wil het volk uitroeien en uit Mozes een groot volk maken. Maar Mozes pleit voor het volk. Wat zouden de Egyptenaren dan wel niet zeggen? Dat God Zijn eigen volk niet naar het beloofde land kon brengen? En vervolgens pleit Mozes op de vergevingsgezindheid van God. Mozes vraagt om opnieuw het volk vergeving te schenken. En de geschiedenis eindigt met de toezegging dat God vergeving zal geven.
Wat we hier zien doet sterk denken aan het gebeuren bij de berg Sinaï, als het volk een gouden kalf laat maken en die vereert. Ook dan dreigt God het volk te vernietigen, en wordt dit voorkomen door het pleidooi van Mozes. En als God Zich aan Mozes openbaart maakt Hij duidelijk dat Hij een vergevende God is. In de geschiedenis van het gouden kalf is het God die van zichzelf zegt dat Hij een genadige en vergevende God is. In de geschiedenis van de verspieders zien we hoe Mozes een beroep doet op het feit dat God vergevingsgezind is. Hij herhaalt in feite dat wat God eerder tegen hem zei, en wijst God op Zijn eigen uitspraak.
We gaan nu naar het midden van Numeri. Daar staat de opstand tegen Mozes en Aäron centraal. Verschillende mensen willen niet aannemen dat Mozes en Aäron een speciale positie hebben die door God aan hen gegeven is. Ze vinden dat Mozes en A:aron zich ten onrechte opwerpen als tussenpersonen tussen God en het volk. Om duidelijk te maken dat Aäron daadwerkelijk de door God aangewezen hogepriester is draagt God het volgende op. Elke stam moet een staf uitkiezen, en zijn naam erop schrijven. Op de staf van de stam Levi moet de naam van Aäron staan. Vervolgens moeten deze twaalf staven in de tabernakel gelegd worden. De dag erna moeten ze weer tevoorschijn gehaald worden, en de staf die dan zal bloeien zal aangeven wie de hogepriester zal zijn. Dit gebeurt, en de volgende dag blijkt dat de staf van Aäron bloeit. De tak had knoppen, bloemen en rijpe amandelen. Het volk komt tot bedaren. En de staf wordt in de ark gelegd.
Het zal duidelijk zijn dat deze bloeiende staf een groot wonder was. Een staf die in één nacht tot bloei komt is onder normale omstandigheden niet denkbaar. Maar ook het gelijktijdig aanwezig zijn van knoppen, bloemen en rijpe amandelen is iets dat in de natuur niet voorkomt. De tekst vermeldt niet waarom God juist voor dit teken heeft gekozen. Maar er zit wel een opmerkelijk woordspel in. De bloem waar hier sprake van is, is in het Hebreeuws een Tzitz. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor de hoofdband van de Hogepriester.
We gaan nu naar de geschiedenis van het water uit de rots. De geschiedenis die spiegelt met de geschiedenis van de twaalf verspieders. Opnieuw komt het volk in opstand. Nu is het vanwege gebrek aan water. Mozes en Aäron gaan naar de tabernakel. Daar draagt God hun op om de staf van Aäron te pakken en naar de rots te gaan, om daar de rots te bevelen water te geven aan mensen en dieren. Het is een opvallend detail. Niet de staf van Mozes maar de staf van Aäron moet worden opgepakt, en worden gebruikt om het wonder te laten gebeuren. Mozes doet het, maar als hij dan bij de rots komt is hij ongehoorzaam. Hij roept dat hij en Aäron het volk water zullen geven, en Mozes slaat met zijn eigen staf op de rots. Er komt water, maar God neemt zowel Mozes als Aäron het gebrek aan ontzag kwalijk. Ze zullen allebei het land niet mogen binnengaan.
Het opmerkelijke aan deze geschiedenis is die staf. Een aantal keren lezen we in de geschiedenis van de Uittocht dat Mozes met zijn staf wonderen doet. Voor de farao. En bij de doortocht door de Rietzee bijvoorbeeld. Maar hier wordt nadrukkelijk aangegeven dat God wil dat Mozes de staf van Aäron pakt. Dit is een duidelijk teken. Er breekt een nieuw tijdperk aan. God zal Zijn volk helpen als het Hem dient. Niet met die machtige arm die zichtbaar was in de staf van Mozes, maar door Zijn aanwezigheid zoals die zichtbaar was in de dienst van de priesters. En waarvan de staf van Aäron een symbool was. We zien hier een element dat we straks bij de bespreking van zowel Deuteronomium als Jozua nog meer in detail zullen gaan zien. Tijdens de uittocht zorgt God met een machtige arm en een sterke hand voor Zijn volk. Door middel van tal van wonderen. Maar dat was een eenmalige gebeurtenis, die het volk keer op keer moest blijven gedenken. Straks in het land zou men moeten leren om op God te vertrouwen in het gewone dagelijkse leven. Dan zou God nog steeds dezelfde zorg voor Zijn volk hebben. Maar dan zou men in het algemeen niet meer erop moeten vertrouwen dat God met buitengewone bovennatuurlijke wonderen te hulp zou komen. Juist in de dingen van het dagelijkse leven zou men van dag op dag God kunnen zien.
Tot slot wil ik nog even kijken naar de grenzen van het beloofde land. Zowel in Exodus als in Numeri vinden we een beschrijving van de grenzen. En dan valt op dat er twee verschillende beschrijvingen zijn van die grenzen. Met andere woorden, in totaal zijn er drie verschillende beschrijvingen van de grenzen van het beloofde land. Immers, we hebben al eerder in deze podcastserie gezien dat de grenzen van het land dat beloofd is aan Abraham verschilt van het gebied dat aan de nakomelingen van Jakob is toegezegd. Kortom, het wordt tijd om even alles op een rijtje te zetten. De luisteraars die minder vertrouwd zijn met de geografie van het Midden-Oosten kunnen nu misschien het beste even een kaart van het Midden-Oosten opzoeken.
De eerste keer dat we een beschrijving van de grenzen van het beloofde land tegenkomen is bij de geschiedenis van Abraham. In het zuidwesten ligt de grens bij de meest oostelijke tak van de Nijl, dat ook de grens van Egypte was. Kortom, de grens van het beloofde land kwam overeen met de grens van Egypte. In het zuiden viel de gehele Sinaïwoestijn in het beloofde gebied. In het oosten behoorde het hele gebied ten oosten van de Jordaan voor zover dat bewoond was erbij. In het westen vormde de Middellandse zee de grens. En als we naar het noorden gaan dan hoorde Libanon erbij plus het gebied ten noorden en ten oosten ervan. Dat is het huidige westen van Syrië. En zelfs een klein stukje van zuidoost Turkije, tot aan de Eufraat. Dat gebied was toegezegd aan alle nakomelingen van Abraham. Dus zowel Ismaël als zijn nageslacht als Izak en zijn nakomelingen. Terwijl Abraham ook nog kinderen had bij een derde vrouw, Ketura, waarvan we verder niet zoveel weten.
Het ligt voor-de-hand dat het gebied dat beloofd is aan de nakomelingen van Jakob dus kleiner is. Dat klopt, maar hiervoor vinden we twee verschillende beschrijvingen. In de meer uitgebreide beschrijving van het beloofde land komt voor een groot deel overeen met de beschrijving van het gebied voor de nakomelingen van Abraham. Alleen aan de oostelijke kant loopt het gebied minder ver Jordanië en Syrië in.
Maar er is ook beschrijving van een beperkter gebied. Dat gebied omvat het huidige Israël, inclusief de Gazastrook en de westelijke Jordaanoever. De Jordaan is dus de oostelijke grens. Als we kijken naar het noorden dan valt Libanon erbij plus het gebied ten noorden van Libanon tot aan de Eufraat. Dat gebied hoort tegenwoordig bij Syrië.
Maar waarom is er sprake van twee beschrijvingen van het beloofde land voor de nakomelingen van Jakob? Nauwkeurige lezing van de verschillende teksten maakt dat duidelijk. God wilde dat het volk eerste het kleinere kerngebied zou veroveren. En als het volk daar gevestigd zou zijn en zou groeien, zouden de meer uitgebreide grenzen gaan gelden. Bij nader inzien kunnen een aantal details in de Bijbel verklaart worden door het feit dat er twee beschrijvingen zijn, namelijk een kerngebied en een meer uitgebreid gebied.
Strikt genomen was het volk al in het beloofde land op het moment dat het de grens van Egypte was overgestoken. Toch maakt de geschiedenis van de eerste verkenning van het beloofde land door een twaalftal verspieders duidelijk dat op dat moment de aandacht met name gericht was op het kerngebied. Deze verspieders zijn namelijk de zuidelijke grens van het kerngebied overgestoken. Hetzelfde zullen we later in deze podcastserie nog tegenkomen als het volk het beloofde land intrekt onder leiding van Jozua. Dat moment valt samen met het oversteken van de Jordaan, de oostelijke grens van het kerngebied. Beide geschiedenissen richten zich dus duidelijk op het kleinere gebied als het beloofde land.
Kort voor de verovering van het land vragen de stam Ruben en Gad aan Mozes toestemming om zich te mogen vestigen in een gebied aan de oostelijke zijde van de Jordaan. Mozes aarzelt. Uiteindelijk geeft hij toestemming, mits de mannen eerste zullen meevechten bij de verovering van het gebied aan de overzijde van de Jordaan. Wat is hier aan de hand? Als we de kaart van het Midden-Oosten erbij pakken blijkt dat deze twee stammen zich wilden vestigen in het gebied dat behoorde tot de uitgebreidere grenzen van het beloofde land, terwijl op dat moment het kerngebied nog niet veroverd was. Dat verklaart de reactie van Mozes. Hij vindt het goed dat deze twee stammen zich vestigen aan de oostzijde, mits de mannen meevechten bij de verovering van het kerngebied. Pas als dat veroverd is, mogen deze mannen terugkeren naar het gebied aan de oostelijke kant van de Jordaan. Dat gebeurt. Ook een deel van de stam Manasse sluit zich later hierbij aan, zodat tweeëneenhalve stam zich uiteindelijk vestigen aan de oostzijde.
En er is meer. God gebiedt om vrijsteden in het land aan te wijzen. Als iemand dan per ongeluk een ander had gedood, dan kon hij naar zo’n vrijstad vluchten om te ontkomen aan de wraak van de nabestaanden. In principe gaat het om zes vrijsteden. Maar het valt op dat deze verdeeld wordt in drie plus drie. Dit staat er: En wanneer de HEER, uw God, uw grondgebied uitbreidt, zoals Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, en u heel het land geeft dat Hij hun heeft toegezegd – als u tenminste alle geboden die ik u vandaag geef strikt naleeft, de HEER, uw God, liefhebt en altijd de weg volgt die Hij wijst –, dan moet u nog drie andere steden aanwijzen. Als we de ligging van de zes vrijsteden bekijken, dan wordt deze tekst duidelijk. Drie vrijsteden lagen in het kerngebied, en drie in het uitgebreide gebied. Deze tekst laat zien dat eerst het kerngebied veroverd moest worden, maar ook dat uiteindelijk voorzien werd in een groter gebied.
Tot slot wil ik nog wijzen op het einde van het leven van Mozes. Hij mag het beloofde land niet in, maar mag het wel zien. Op Gods bevel klimt hij de Nebo op. Die berg ligt aan de oostzijde van de Jordaan. En dan zegt God: kijk vanaf de top uit naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Waarom moest Mozes ook naar het oosten kijken? Het antwoord is inmiddels duidelijk. Het gebied dat zich ten oosten van de Nebo bevond behoorde weliswaar niet tot het kerngebied van het beloofde land, maar wel tot het uitgebreide gebied.
Tot zover de geschiedenis van de uittocht. In de volgende podcast bespreken we een geheel ander onderwerp. Dan staan we stil bij het boek Leviticus.