Offers en feesten (Leviticus)
Integrale tekst van de podcast
In deze podcast gaan we kijken naar het boek Leviticus. Het boek Leviticus is bekend om zijn wetten. Wetten die bijvoorbeeld te maken hebben met de offerdienst in de tabernakel, en later gebruikt zijn in de tempel in Jeruzalem. Om die reden is dit boek niet erg populair. Want wat moeten wij nu met al die wetten? Is Leviticus niet achterhaald?
Om gelijk met die vraag te beginnen: Het klopt dat de gedetailleerde wetten voor de offerdienst hun betekenis hebben verloren. Door de komst van Jezus Christus is het doel van de offerdienst in vervulling gegaan. Daarnaast is ook voor Joden de oorspronkelijke betekenis niet meer relevant, omdat sinds 70 n.Chr. er geen tempel meer is in Jeruzalem.
Maar dat neemt niet weg dat de kern van de boodschap van Leviticus nog steeds van belang is. Ook voor ons. En die kern willen we in deze podcast bespreken.
Voordat we gaan kijken naar Leviticus is het zinvol om stil te staan bij de plaats van dit boek in de Tora. De Tora, zoals we de eerste vijf boeken in de Bijbel noemen, heeft een duidelijke opbouw. De Tora omvat vijf boeken: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. En daar zit een opvallende opbouw in. Genesis verwijst terug naar het begin, het ontstaan van de wereld, en de schepping van de mens. In Genesis vinden we ook het begin van de relatie tussen God en de mens, het verbond met Abraham en zijn nageslacht. Zoals we de volgende keer zullen zien staat in Deuteronomium, het laatste boek van de Tora, de vernieuwing van het verbond centraal. En Deuteronomium kijkt vooruit naar de periode dat het volk in het land Israël zal wonen.
Het tweede boek is Exodus. Dat is het boek van de uittocht uit Egypte. Net als Numeri, het vierde Bijbelboek. Het tweede en vierde boek horen dus eigenlijk bij elkaar.
In het midden staat Leviticus. Dit boek is het middelpunt van de Tora. Letterlijk dus. De boodschap van Leviticus is gecentreerd rond de tabernakel. In het laatste deel van Exodus lezen we over de bouw van deze tabernakel. En Numeri begint met de beschrijving van Gods intrek in de tabernakel. Op deze manier gaat het hele deel van Exodus 25 tot Numeri 10 over de tabernakel. Of, met andere woorden, het einde van het tweede boek, het hele derde boek en het begin van het vierde boek gaat over de tabernakel.
De hele offerwetgeving is pas volledig uitgevoerd in de periode dat de Ark in de tempel in Jeruzalem stond. In de periode dat het volk in de woestijn rondzwierf en de Ark in de tabernakel stond kon slechts een deel van de wetten worden uitgevoerd. Het wordt echter niet duidelijk welk deel.
In de wetgeving spelen twee woordparen een grote rol, namelijk rein en onrein, en heilig en onheilig. Het is van belang om deze woordparen te begrijpen, omdat later in het Nieuwe Testament deze woorden weer terugkomen,
Het eerste woordpaar is rein en onrein. Rein en onrein heeft niets met zonde te maken. Het gaat om de geschiktheid. Sommige dingen zijn uit zichzelf onrein. Bepaalde dieren waren onrein en daarmee niet geschikt voor consumptie. Mensen konden onrein zijn en moesten daarom op afstand blijven van de tabernakel. Vaak is onreinheid een tijdelijke situatie. Mensen werden onrein als ze een kadaver van een dier hadden aangeraakt. Of als ze een bepaalde huidziekte hadden. Vaak kon iemand weer rein worden door een offer te brengen of door onderdompeling in een ritueel bad. Het respecteren van het onderscheid tussen rein en onrein was één van de tekenen waarmee het volk Israël zich onderscheidde van de andere volken. Naast de besnijdenis en het onderhouden van de sabbat en andere feestdagen, bijvoorbeeld.
Het tweede woordpaar is heilig en onheilig. Heilig is alles wat afgezonderd is voor God. Het verwijst naar de aanwezigheid van God. Als Mozes de brandende struik ziet die niet verteert, dan spreekt God vanuit die plek. En God draagt Mozes op om zijn sandalen uit te trekken omdat die plaats door de aanwezigheid van God heilig is. Zo is ook de ruimte in de tabernakel heilig, en de ruimte achter het gordijn waar de Ark stond werd het Allerheiligste genoemd. We lezen in het midden van Leviticus de opdracht dat het volk Israël de opdracht had om heilig te zijn. Dat betekent niet dat het volk perfect of zonder zonden kon worden, maar wel dat het apart gezet was te midden van alle andere volken.
Het woord onheilig heeft geen negatieve betekenis in de Bijbel. Het betekent gewoon dat iets niet speciaal gereserveerd was voor de dienst aan God.
Nog even terug naar de structuur van Leviticus. Leviticus zelf heeft ook een volledig spiegelbeeldige opbouw. In het midden van Leviticus staat de beschrijving van de ceremonie van de Grote Verzoendag. De ceremonie voor deze jaarlijkse gebeurtenis wordt uitgebreid beschreven.
De Grote Verzoendag was het enige moment in het jaar dat de Hogepriester in het Allerheiligste mocht komen, het deel achter het gordijn waar de Ark stond. De ceremonie van de grote verzoendag is in detail beschreven, en vol met symboliek. Centraal staan twee bokken, waarvan één wordt geofferd en één wordt losgelaten.
De grote verzoendag was de enige dag in het jaar dat de hogepriester zijn heilige kleding droeg. Witte kleding met veel goud.
De Israëlieten brengen twee bokken naar de hogepriester, en de hogepriester brengt ze naar de ingang van de tabernakel. Daar wordt door loting bepaald welke bok geslacht gaat worden en welke levend wordt weggestuurd.
Om te beginnen moet de hogepriester een stier offeren als reinigingsoffer voor zichzelf en zijn familie. En het maakt duidelijk dat zelfs de hogepriester, die in zekere zin het dichtst bij God stond, reiniging nodig had om voor God te kunnen staan.
Dan brengt de hogepriester een reukoffer op het grote brandofferaltaar vóór de tabernakel. Vervolgens neemt de hogepriester wat kool van het altaar, en in zijn andere hand wat wierook. De hogepriester gaat dan de tempel in. Hij gaat dan naar het achterste deel van de tabernakel, en passeert het gordijn dat het Allerheiligste scheidt van het Heilige. Daar, aangekomen in de ruimte waar de Ark staat, legt hij de wierook op de gloeiende kooltjes zodat de hele ruimte zich vult met rook. Dan gaat hij naar buiten, ontvangt een vat met bloed van de geslachte stier, en gaat opnieuw het Allerheiligste in. Daar sprenkelt hij bloed over de Ark. Het vat met bloed wordt in het heilige geplaatst. Vervolgens gaat de hogepriester weer naar buiten. Dan wordt één van de twee bokken geslacht, en de hogepriester gaat met het bloed voor de derde keer het Allerheiligste binnen. Dat bloed wordt eveneens over de Ark gesprenkeld. De hogepriester gaat voor de derde keer het Allerheiligste uit. Hij mengt dan het bloed van de stier met het bloed van de bok. Dit bloed wordt gebruikt om het reukofferaltaar te reinigen. Dit altaar stond in het Heilige, vóór het gordijn van het Allerheiligste. Dan loopt de hogepriester naar buiten. Dan gaat hij naar de levende bok, en legt symbolisch de zonden van het volk op het hoofd van deze bok. Deze bok wordt de woestijn in geleid. Naar Azazel, zoals de tekst zegt. Vermoedelijk wordt hier een bepaalde plaats mee aangeduid, maar er is onzekerheid over de precieze betekenis. Deze bok zal in de woestijn dood gaan. In latere tijd, als de tempel in Jeruzalem in gebruik is, wordt deze bok naar een klif gevoerd en daar over de rand geduwd. De symboliek is duidelijk. Deze bok verliest zijn leven en neemt symbolisch daarmee de zonden van het volk mee.
In de periode dat de grote verzoendag in de tempel werd gevierd, werden de twee bokken voorzien van een roodgeverfd koord. De manier waarop het rode touw aan de bok werd bevestigd, zeg maar de vorm van de knoop, maakte duidelijk welke bok zou worden geslacht en welke bok zou worden vrijgelaten. De keuze voor een rood koord was gebaseerd op de tekst uit Jesaja: ‘De HEER zegt: Laten we zien wie er in zijn recht staat. Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw, al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol’. Volgens de rabbijnse traditie werd dit rode koord op wonderlijke wijze wit als de bok in de woestijn aangekomen was, als teken voor het feit dat God de zonden van het volk vergeven had. Tot slot offert de hogepriester de stier voor zijn eigen zonden en de bok voor de zonden van het volk op het brandofferaltaar vóór de tabernakel.
De ceremonie van de Grote Verzoendag werd in de tempel van Jeruzalem op dezelfde manier uitgevoerd als in de tabernakel. Er is een gedetailleerde beschrijving van alle handelingen te vinden in de Rabbijnse tradities. De Grote Verzoendag was het meest heilige moment in de jaarlijkse cyclus van gebeurtenissen in de tabernakel, en later in de tempel.
Er is nog een interessante traditie over het voorhangsel. Rabbijnse bronnen vermelden dat het in feite ging om twee gordijnen die op een afstand van ongeveer een halve meter van elkaar waren opgehangen. Van het eerste gordijn was een punt aan de rechterzijde, de zuidzijde, omhoog gehangen. En van het tweede gordijn was op dezelfde manier een punt aan de noordzijde omhoog gezet. Hierdoor ontstond een soort gang tussen de twee gordijnen waardoor de Hogepriester van het heilige naar het allerheiligste kon gaan, zonder dat ooit iemand anders een blik kon werpen op de Ark. In de tempel van Salomo was het voorhangsel vervangen door een muur met deuren, maar in de tweede tempel waren deze twee gordijnen weer aanwezig.
Een ander element dat belangrijk is vanuit Leviticus is de beschrijving van de feestdagen. De feestdagen waren dagen dat er niet gewerkt werd.
Elke week werd de sabbat gevierd. De sabbat begint op vrijdagavond, en eindigt op zaterdagavond. Gedurende die tijd mocht er geen werk gedaan worden. We zien hier al iets dat in de Joodse kalender anders is dan wij gewend zijn. Bij ons is een dag de periode van middernacht tot middernacht, maar in het Joodse denken begint een dag bij zonsondergang, en eindigt de dag bij de volgende zonsondergang.
Dat brengt ons bij het volgende punt, de maanden. Die werden bepaald door de maansomloop. Een maand begon met nieuwe maan, en eindigde bij de volgende nieuwe maan. En twaalf maanden vormden een jaar. Om er voor te zorgen dat de kalender synchroon bleef lopen met een zonnejaar werd er af en toe een volle maand toegevoegd aan een jaar. Later werd dit systeem geperfectioneerd en ontstond er een cyclus waarin in een periode van 19 jaar 7 keer een maand wordt ingevoegd. Daarmee loopt de kalender vrijwel perfect gelijk met onze zonnekalender. Dit systeem wordt tot op de dag van vandaag nog toegepast.
Er waren drie grote feestdagen. Het eerste feest is Pesach. Daaraan verbonden was het feest van de ongezuurde broden. Dit feest valt in de eerste maand van de religieuze kalender, Nisan. Op de 14de, 15de en 21ste dag van de maand Nisan werd niet gewerkt. De maand Nisan valt ergens rond de maand april van onze kalender.
Het tweede feest was op de 50ste dag na dit feest. Dat was het Wekenfeest.
Deze feesten waren verbonden met de oogst. Op Pesach werd de eerste opbrengst van de eerste oogst van het nieuwe jaar geofferd. Die eerste oogst was van de gerst.
Het Wekenfeest sloot de oogstperiode af. Dan werd het einde van de tarweoogst herdacht.
En tot slot was er in het najaar het Loofhuttenfeest, ter afronding van de oogst van de veldvruchten, zoals de olijven en druiven. Op de eerste en achtste dag van dit feest werd niet gewerkt. Dit feest werd gevierd in de zevende maand, de maand Tisri.
Na het Loofhuttenfeest volgde de regenperiode in het land Israël. En bij voldoende regen kon er dan in het nieuwe jaar weer geoogst wordt.
Deze drie feesten hadden naast het stilstaan bij de oogst ook een andere betekenis. Ze herinneren aan de uittocht uit Egypte. Het bekendst is het Pesachfeest. Dan wordt er een lammetje geslacht. En het Pesachfeest is een duidelijke herinnering aan de uittocht. Toen moesten de Israëlieten eveneens een lammetje slachten, en het bloed aan de deurposten smeren. Daarmee ontkwamen ze aan de tiende plaag, toen de eerstgeborenen van de Egyptenaren overleden. Dit wordt elk jaar herdacht tijdens het Pesachfeest. In de loop der jaren zijn er steeds meer vaste tradities ontstaan met betrekking tot de manier waarop dit feest wordt gevierd. Tot op de dag van vandaag.
Nauw verbonden met dit feest was het feest van de ongezuurde broden. Gedurende een week, te beginnen met het Pesachfeest, at men geen gezuurde broden. Ook dit was een herinnering aan de uittocht. Men moest toen ongezuurd brood eten, als teken van haast. Er was geen tijd met het bakken van het brood om te wachten totdat het deeg door gist gezuurd zou zijn.
50 dagen na Pesach was er het Wekenfeest. In eerste instantie had het Wekenfeest geen tweede betekenis naast de oogst. Maar sinds de eerste eeuw werd dit feest gebruikt om de wetgeving op de Sinaï te herdenken.
En tot slot het Loofhuttenfeest in het najaar. Tijdens dat feest woonden de Israëlieten gedurende een week in een hutje gemaakt van looftakken. Daarmee dachten ze terug aan de tijd dat ze door de woestijn zwierven en woonden in eenvoudige verblijven.
Deze drie feesten waren de belangrijkste feesten van Israël. En toen het volk in het beloofde land ging wonen, gingen de mannen, en de vrouwen die niet aan huis gebonden waren, drie keer jaar naar de tempel in Jeruzalem om deze feesten te vieren.
Naast deze feesten was er nog een jaarlijks een periode van verootmoediging in de maand Tisri, de zevende maand. Op de tiende dag van deze maand werd de Grote Verzoendag gevierd. We hebben het hier al eerder over gehad. Vanaf de vijftiende dag werd in deze maand het Loofhuttenfeest gevierd.
Naast deze jaarlijkse cyclus van feestdagen waren er ook bijzondere jaren. Elk zevende jaar was een sabbatsjaar. Dan werd er niet gezaaid maar moest het land braak blijven liggen. Men moest leven van wat er vanzelf opkwam op het land. En elk zevende sabbatsjaar was een jubeljaar. Eens in de 49 jaar was er dus een jubeljaar. Dan werden alle schulden kwijtgescholden, en iedereen die zijn land had moeten verkopen om de schulden af te betalen kreeg zijn grond weer terug. Op die manier werd voorkomen dat grondgebied dat aan een bepaalde stam toebehoorde op een gegeven moment door armoede in handen van een andere stam zou kunnen komen.
Later in de geschiedenis zijn er nog feestdagen aan de kalender toegevoegd. We zullen in deze serie nog Tisja Be’av, het Poerimfeest en Chanoeka tegenkomen.
De boodschap van het boek Leviticus is samen te vatten in drie punten.
In de eerste plaats maakt de offercultus duidelijk dat de relatie tussen God en de mensen verstoord is. De mens is uit zichzelf niet geneigd om te doen wat God van hem vraagt. Dat laat de geschiedenis keer op keer zien. En om die relatie mogelijk te maken is vergeving van de overtredingen nodig. Daarom moest er steeds weer geofferd worden. Er moest bloed vloeien om zichtbaar te maken dat er iets voor nodig is om ervoor te zorgen dat we als mens een relatie met God kunnen hebben. En de kern, het hoogtepunt, van die offerdienst is de grote verzoendag.
Het tweede punt is het herdenken van de uittocht uit Egypte. De uittocht was een eenmalig gebeuren. Een eenmalig handeling van God waarin Hij laat zien dat Hij alleen God is. En Hij een volk heet uitgekozen en naar het beloofde land heeft gebracht om als voorbeeld te dienen voor de hele wereld. En telkens weer moesten de Israëlieten aan deze periode in hun geschiedenis denken om te leren vertrouwen op God, ook als Hij niet meer op deze manier Zijn macht laat zien, maar God vooral in de dagelijkse zorg voor Zijn volk Zijn liefde wil laten zien.
En dat brengt ons op het derde punt. Het land Israël is een bijzonder land. Voor de jaarlijkse oogsten is men afhankelijk van voldoende regen in het najaar en voorjaar. Oogst was niet vanzelfsprekend. En door te wonen in dit land zou men zich voortdurend realiseren dat in de gewone dagelijkse dingen men afhankelijk is van God.
In de volgende podcast over Deuteronomium komen we daar nog meer uitgebreid op terug.